planten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plan·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘in aarde zetten’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • Komt van het Franse plante, van Latijn planta
enkelvoud meervoud
naamwoord - planten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

planten mv

  1. (biologie) een taxonomische groep waarvan de meeste leden uit cellulose bestaande celwanden hebben en aan fotosynthese doen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

planten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord plant
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
planten
plantte
geplant
zwak -t volledig

Werkwoord

planten

  1. overgankelijk (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
Een boom planten.
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
plantar

planten

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van plantar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van plantar