planten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plan·ten
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

planten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord plant
     Zij deed er water in en toen allerlei geheimzinnige kruiden, een beetje aarde, glanzende stenen, mossen en planten.[1]
  2. (biologie) taxonomisch rijk Plantae op Wikispecies of Archaeplastida op Wikispecies, waarvan de meeste leden uit cellulose bestaande celwanden hebben en aan fotosynthese doen
     Vaatplanten zijn planten met transportvaten voor vloeistoffen.[2]
Hyperoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Opmerkingen
  • Sommige protisten worden traditioneel ook algen genoemd, maar blijken niet tot de planten te horen
  • In het verleden werden schimmels en bacteriën ook wel tot de planten gerekend.
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
planten
plantte
geplant
zwak -t volledig

Werkwoord

planten

  1. overgankelijk (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
Een boom planten.
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 13
  2. Baudewijn Odé Tracheophyta - vaatplanten in: De Nederlandse biodiversiteit. (2010), Nederlands Centrum voor Biodiversiteit Naturalis ; European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden, ISBN 9789050113519, p. 70 kol. 1
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • plan·ten
Naar frequentie 11247

Zelfstandig naamwoord

planten

  1. nominatief onbepaald mannelijk meervoud van plante
Schrijfwijzen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • plan·ten

Zelfstandig naamwoord

planten

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van plante
Schrijfwijzen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
plantar

planten

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van plantar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van plantar