dijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Erosie dijk.png
Uitspraak
Woordafbreking
  • dijk
enkelvoud meervoud
naamwoord dijk dijken
verkleinwoord dijkje dijkjes

Zelfstandig naamwoord

dijk m

  1. (waterstaat) een opgeworpen aarden wal op het land meestal bestemd als waterkering ter directe bescherming van het achterliggende land
    De dijk langs de rivier was erg bochtig.
  2. een kunstmatig aangelegde, hoger gelegen, rechte weg door een (voormalig) moerassig gebied, moerdijk (?)
    De spoorweg was op een dijk gebouwd
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Aan de dijk gezet worden
Afgedankt, ontslagen worden
  • Dat zet geen zoden aan de dijk
Daar schieten we niets mee op
  • Wie niet dijken wil moet wijken
Men moet kiezen of delen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dijken

dijk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dijken
    Ik dijk.
  2. gebiedende wijs van dijken
    Dijk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dijken
    Dijk je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie