erf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • erf
enkelvoud meervoud
naamwoord erf erven
verkleinwoord erfje erfjes

Zelfstandig naamwoord

erf o

  1. het grondgebied direct rond een boerderij
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
erven

erf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van erven
    Ik erf.
  2. gebiedende wijs van erven
    Erf!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van erven
    Erf je?