erf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

boerderij met erf
Uitspraak
Woordafbreking
  • erf
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘erfdeel, grond behorend bij huis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord erf erven
verkleinwoord erfje erfjes

Zelfstandig naamwoord

erf o

  1. het grondgebied direct rond een boerderij
    • De waakhond begon te blaffen toen ik het erf opkwam. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
erven

erf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van erven
    • Ik erf. 
  2. gebiedende wijs van erven
    • Erf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van erven
    • Erf je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen