erf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

boerderij met erf
Uitspraak
Woordafbreking
  • erf
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘erfdeel, grond behorend bij huis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • [A]: uit Middelnederlands erve ‘erfenis, erfgoed’, uit Oudnederlands erui ‘erfdeel’, ontwikkeld uit Oergermaans *arbja- ‘erfenis’, bij Indo-Europees *h₃orbʰ-io-, waaruit Oudiers orbe ‘erfenis’, Latijn orbus ‘beroofd, ouderloos’, Oudgrieks orphanós ‘verweesd’ en Sanskriet árbhas ‘klein, zwak’.[2] Evenals Nederduits Arf en Duits Erbe, beide ‘erfenis’.
  • [B]: misschien ontleend aan Latijn ervum ‘wikke’.[3] Evenals Nederduits Arf, Oudengels earfan mv en IJslands arfi.[4]
enkelvoud meervoud
naamwoord erf erven
verkleinwoord erfje erfjes

Zelfstandig naamwoord

[A] erf o

  1. het grondgebied direct rond een boerderij
    • De waakhond begon te blaffen toen ik het erf opkwam. 
  2. (verheven) het vanaf de tijd van iemands voorouders voortdurend bewoonde land of streek
  3. (verouderd) onroerend goed, vooral een stuk grond
  4. (verouderd) erfenis, erfdeel
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

[B] erf v

  1. de kruidachtige plant Stellaria media op Wikispecies
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
erven

erf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van erven
    • Ik erf. 
  2. gebiedende wijs van erven
    • Erf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van erven
    • Erf je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen