haag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haag
enkelvoud meervoud
naamwoord haag hagen
verkleinwoord haagje haagjes

Zelfstandig naamwoord

haag v/m

  1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
  2. op een rij naast elkaar geplaatste personen of zaken
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
hagen

haag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hagen
    Ik haag.
  2. gebiedende wijs van hagen
    Haag!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hagen
    Haag je?