Naar inhoud springen

haag

Uit WikiWoordenboek
  • haag
  • erfwoord Ontwikkeld uit Oudgermaans *hag-, vergelijk Middelnederlands haghe, Oudnederlands haghe "omheind gebied of jachtterrein", Oudhoogduits hag "omheining, omwalling, stad", Oudengels haga "haag, omheining, omheinde ruimte", Oudnoords hagi "omheinde weide", modern Duits (Zwitserland) Häge "haag, heg", Engels haw "bes van de hagedoorn" [1]
  • In de betekenis van ‘heg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 889 [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord haag hagen
verkleinwoord haagje haagjes

dehaagv/m

  1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
     De route kronkelt naar beneden en eindigt in de diepte bij een haag van stillikgewas.[3]
     Ik fotografeerde er ook de haag aan de andere kant van de weg, waarschijnlijk de haag die in het document dat ik las werd genoemd.[4]
  2. op een rij naast elkaar geplaatste personen of zaken
     Ze gingen naar een gebouw, waar bij binnenkomst een haag van ss'ers stond, en werden meteen naar boven gedirigeerd.[4]
     Ze krulde haar staart om haar poten en keek, af en toe haar oogjes even tevreden toeknijpend, alsof ze naast de kachel zat, de haag van mensen voor zich welwillend aan.[4]
vervoeging van
hagen

haag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hagen
    • Ik haag. 
  2. gebiedende wijs van hagen
    • Haag! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hagen
    • Haag je? 
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]