krielkip

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kriel·kip
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord krielkip krielkippen
verkleinwoord krielkipje, krielkippetje krielkipjes, krielkippetjes

Zelfstandig naamwoord

krielkip v

  1. (vogels) een klein soort kip, dwerghoender
    • In die ren zitten enkel krielkippen. 
  2. (scheldwoord) een klein persoon
    • Kleine mensen vinden het niet leuk om "krielkip" genoemd te worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be