Naar inhoud springen

kippen

Uit WikiWoordenboek
  • kip·pen
  • [A]  kip zn  met de uitgang -en
  • [2\B] van Duits  kippen ww , in de betekenis van ‘kantelen’ aangetroffen vanaf 1904 [1]

de[A] kippenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kip
     Hij liet zich meevoeren door deze mensen die hem alleen zouden aanspreken als ze iets van hem wilden, als ze van hun varkens, geiten of kippen af moesten.[2]
     Aan de linkerkant van de tuin was de begroeiing lager en kwam je via een grindpad bij de volière met kanaries en tropische zangvogels, en de hokken met kippen en duiven.[3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kippen
kipte
gekipt
zwak -t volledig

[B] kippen

  1. overgankelijk (verouderd) laten vallen, laten kantelen
  • kiepen (meer gangbare uitspraakvariant)
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]