met
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Voorzetsel
met
- en daarbij
- 's Ochtends eten we brood met beleg.
- in gezelschap van
- Ik ga met hem mee.
- als partner hebbende
- Morgen zal ik er met m'n manager over spreken.
- als gevoel hebbende
- Hij bekeek de pentekening met interesse.
- na, als gevolg van
- Het wordt er met de tijd niet beter op.
- Met Karels vertrek raken we een waardevolle collega kwijt.
- gelijktijdig met, tijdens
- Met de schoolvakantie is het rustig in de stad.
- ter gelegenheid van
- We zijn met mijn verjaardag naar de Keukenhof geweest.
- gebruik makend van, door middel van, met behulp van
- Met dit mes werd de moord gepleegd
- Ik reis morgen met de trein naar Purmerend.
met dat
Verwante begrippen
Antoniemen
Spreekwoorden
Vertalingen
1.
Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
- met
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | met | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
het met o
- arch. stukjes die overblijven bij het snijden van grotere stukken vlees
Afgeleide begrippen
Engels
Werkwoord
met
- ontmoette, ontmoet (in bv. heb ontmoet).
- onvoltooid verleden tijd of voltooid deelwoord van meet (ontmoeten)