met

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Voorzetsel

met

  1. en daarbij
    's Ochtends eten we brood met beleg.
  2. in gezelschap van
    Ik ga met hem mee.
  3. als partner hebbende
    Morgen zal ik er met m'n manager over spreken.
  4. als gevoel hebbende
    Hij bekeek de pentekening met interesse.
  5. na, als gevolg van
    Het wordt er met de tijd niet beter op.
    Met Karels vertrek raken we een waardevolle collega kwijt.
  6. gelijktijdig met, tijdens
    Met de schoolvakantie is het rustig in de stad.
  7. ter gelegenheid van
    We zijn met mijn verjaardag naar de Keukenhof geweest.
  8. gebruik makend van, door middel van, met behulp van
    Met dit mes werd de moord gepleegd
    Ik reis morgen met de trein naar Purmerend.

met dat

  1. op hetzelfde moment, toen, zodra
    Met dat ik binnenkwam ging de telefoon over.
Verwante begrippen
Antoniemen
Spreekwoorden
Vertalingen

Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
  • met
enkelvoud meervoud
naamwoord met
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

het met o

  1. arch. stukjes die overblijven bij het snijden van grotere stukken vlees
Afgeleide begrippen

Engels

Werkwoord

met

  1. ontmoette, ontmoet (in bv. heb ontmoet).
    onvoltooid verleden tijd of voltooid deelwoord van meet (ontmoeten)
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/met"
Persoonlijke instellingen