gebruik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·bruik
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gebruik | gebruiken |
| verkleinwoord | gebruikje | gebruikjes |
Zelfstandig naamwoord
gebruik o
- een standaard manier van doen.
- Het schudden van de rechterhand is, in Nederland, het gebruik om een onbekende te begroeten.
- toepassen van iets.
- Het gebruik van een woordenboek is aan te raden voor het controleren van de spelling.
Vaste voorzetsels
- [2] gebruik maken van
Synoniemen
- [1] gewoonte
Antoniemen
Afgeleide begrippen
- [2] gebruiker
Vertalingen
1. een standaard manier van doen
2. toepassen van iets
Werkwoord
| vervoeging van |
| gebruiken |
gebruik
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebruiken
- Ik gebruik.
- gebiedende wijs van gebruiken
- Gebruik!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebruiken
- Gebruik je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.