gezelschap

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Lettergrepen
  • ge·zel·schap

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezelschap gezelschappen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gezelschap o

  1. een groep mensen die iets gemeen hebben
    Het hele gezelschap was gezellig op skivakantie.
  2. iemand ~ houden': bij iemand blijven die anders alleen zou zijn
    Ik kan je niet langer gezelschap houden, ik moet naar m'n werk.
  3. een vereniging met een bepaald doel
    Er bestaat een gezelschap dat zich richt op de studie hiervan.

Vertalingen
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen