gezelschap
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: gezelschap (hulp, bestand)
- IPA: /ɣə'zɛlsxɑp/
Lettergrepen
- ge·zel·schap
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gezelschap | gezelschappen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
gezelschap o
- een groep mensen die iets gemeen hebben
- Het hele gezelschap was gezellig op skivakantie.
- iemand ~ houden': bij iemand blijven die anders alleen zou zijn
- Ik kan je niet langer gezelschap houden, ik moet naar m'n werk.
- een vereniging met een bepaald doel
- Er bestaat een gezelschap dat zich richt op de studie hiervan.

