verleden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·le·den
enkelvoud meervoud
naamwoord verleden -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

verleden o

  1. de voorafgaande tijd, dat wat voorbij is
    In het verleden.
Antoniemen
Vertalingen
stellend
onverbogen verleden
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

verleden

  1. voorbij
    Verleden week.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verlijden

verleden

  1. meervoud verleden tijd van verlijden
    Wij verleden.
    Jullie verleden.
    Zij verleden.
  2. voltooid deelwoord van verlijden