metgezel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- met·ge·zel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | metgezel | metgezellen |
| verkleinwoord | metgezelletje | metgezelletjes |
Zelfstandig naamwoord
metgezel m
- iemand die meegaat op een reis of activiteit
- Zijn metgezel wist hem voor een ongeluk te behoeden.