metgezel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • met·ge·zel
enkelvoud meervoud
naamwoord metgezel metgezellen
verkleinwoord metgezelletje metgezelletjes

Zelfstandig naamwoord

metgezel m

  1. iemand die meegaat op een reis of activiteit
    Zijn metgezel wist hem voor een ongeluk te behoeden.