mit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Duits

Voorzetsel

mit (+ datief)

  1. met
    «Ich fahre mit dem Auto.»
    Ik rij met de auto.


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /mɪt/ (Etsbergs)
Woordherkomst en -opbouw
  • Komt van het Oudlimburgse mid.
enkelvoud meervoud
bepaald geheel mitte mitter
gemut. - -
onbepaald geheel mit mit
gemut. - -

Voorzetsel

mit (+ datief)

  1. met
  2. per
  3. door middel van


Noors

Zelfstandig naamwoord

mit
  1. verouderde spelling van midd van vóór 2005
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk


Oudnederlands

Voorzetsel

mit

  1. met
    «He was mit mi.»
    Hij was met mij.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen