partner

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • part·ner
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels.
enkelvoud meervoud
naamwoord partner partners
verkleinwoord partnertje partnertjes

Zelfstandig naamwoord

partner m

  1. iemand met wie men al dan niet gehuwd een relatie heeft
    Komt uw partner ook mee?
  2. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
    Zijn partners waren niet bereid nog meer geld in de zaak te steken.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie