bal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bal
enkelvoud meervoud
naamwoord bal ballen
verkleinwoord balletje balletjes

Zelfstandig naamwoord

[A] bal m

  1. (sport) een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
    De bal werd door de spits keihard in de kruising geschoten.
  2. (pejoratief) negatieve benaming voor een jongeman, vaak van rijke afkomst en met een herkenbaar accent
    De bal kwam op me af om een praatje te maken, maar ik ging snel naar mijn vriendin in het toilet.
  3. (anatomie) teelbal
    Henk ging naar de dokter omdat hij last had van jeuk aan zijn ballen.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord bal bals
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[B] bal o

  1. een danspartij
    Het bal werd geopend door het bruidspaar.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ballen

bal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ballen
    Ik bal.
  2. gebiedende wijs van ballen
    Bal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ballen
    Bal je?

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bal m

  1. (Hooglimburgs) bal
Verbuiging



Turks

Woordafbreking
  • bal
enkelvoud meervoud
nominatief   bal     ballar  
genitief   balın     balların  
datief   bala     ballara  
accusatief   balı     balları  
locatief   balda     ballarda  
ablatief   baldan     ballardan  

Zelfstandig naamwoord

bal

  1. (voeding) honing