zak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zak | zakken |
| verkleinwoord | zakje | zakjes |
Zelfstandig naamwoord
zak m
- slappe, vormeloze tas.
- Stop die oude rommel maar in een zak.
- een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen.
- Waarom hou je dat potlood de hele tijd in je hand, waarom stop je hem niet in je zak?
Vertalingen
1. slappe, vormeloze tas
|
|
2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
Afgeleide begrippen
- zakagenda, zakatlas, zakbijbel, zakboekje, zakcent, zakcomputer, zakdoek, zakgeld, zaklamp, zaklopen, zakmes, zakwoordenboek
Werkwoord
| vervoeging van |
| zakken |
zak