klap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klap klappen
verkleinwoord klapje klapjes

Zelfstandig naamwoord

klap m

  1. plotselinge, luidruchtige slag
    De oude vaas viel met een luide klap in duizend stukken op de vloer uiteen.
  2. een bestraffing door slagen met de open hand
    Hij heeft vroeger veel klappen gehad.
Anagrammen
Uitdrukkingen en gezegden

een (flinke) klap uitdelen

Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
klappen

klap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klappen
    Ik klap.
  2. gebiedende wijs van klappen
    Klap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klappen
    Klap je?

Meer informatie

Verwijzingen