donder
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- don·der
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | donder | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
donder m
- een zeer luid geluid bij onweer
- Hij is bang voor donder.
- (informeel) het lichaam
- Hij kreeg op z'n donder.
Vertalingen
1. een zeer luid geluid bij onweer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| donderen |
donder