donder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • don·der
enkelvoud meervoud
naamwoord donder -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

donder m

  1. een zeer luid geluid bij onweer
    Hij is bang voor donder.
  2. (informeel) het lichaam
    Hij kreeg op z'n donder.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
donderen

donder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donderen
    Ik donder.
  2. gebiedende wijs van donderen
    Donder!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donderen
    Donder je?