vangen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • van·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vangen
/'vɑŋ.ə(n)/
ving
/vɪŋ/
gevangen
/ɣə.'vɑŋ.ə(n)/
klasse 7 volledig

Werkwoord

vangen

  1. overgankelijk het te pakken krijgen van wilde dieren of mensen
    • Zij besloten een paar olifanten te vangen om deze over te brengen naar een ander reservaat. 
  2. overgankelijk in de lucht onderscheppen (bijv. van een bal)
    • In honkbal is het kunnen vangen van de bal een belangrijke vaardigheid. 
  3. (informeel) verdienen van geld
    • Wat vangt het? 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • een snoek vangen
    in het water vallen
  • een spiering uitgooien om een kabeljauw te vangen
    een kleinigheid opofferen om iets belangrijks terug te krijgen
  • bot vangen
    ernaast pakken, het niet krijgen
  • hij is te vangen als een aal bij zijn staart
    hij is moeilijk te vatten
  • hoge bomen vangen veel wind
    in een hoge positie heeft men ook veel verantwoordelijkheid
  • men moet vossen met vossen vangen
    tegenover sluwheid moet men zelf ook sluw tewerk gaan
  • met onwillige honden is het kwaad hazen vangen
    met tegenwerkende mensen bereikt men weinig
  • niet voor een gat te vangen zijn
    niet door één moeilijkheid te ontmoedigen
  • paling vangen
    in het water terecht komen
  • onder één hoedje te vangen zijn
    erg tam zijn
  • om vliegen te vangen
    om te luieren (niets te doen)
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

vangen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vang

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl