Naar inhoud springen

gevangen

Uit WikiWoordenboek
  • ge·van·gen
stellend
onverbogen gevangen
verbogen
partitief gevangens

gevangen

  1. in hechtenis genomen, van de vrijheid beroofd
    • De gevangen vis werd weer teruggezet omdat deze ondermaats was. 
     Ze had bladgoud altijd beschouwd als de droom van een alchemist, een gevangen zonnestraal.[1]
     ‘Maakt niet uit, we eten slang vanavond.’ Hij wees naar het vuur waarop de vanmiddag gevangen slang lag te bakken. Rattlesnake, de jonge slangenvanger, zat er zwijgend naast.[2]


gevangen

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    • De politie nam hem gevangen. 
     'Waarom zitten we zo gevangen in de uren, de minuten van het dagelijkse leven? waarom kunnen we niet het leven leiden dat altijd net buiten ons bereik ligt?' Haar stem brak en Teresa legde een hand op Olives arm.[1]
vervoeging van: vangen…
geen verbogen vorm

gevangen

  1. voltooid deelwoord van vangen

degevangenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gevang
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be