fangen
Naar navigatie springen
Naar zoeken springen
Deens
Woordafbreking
- fan·gen
Zelfstandig naamwoord
fangen, g
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van fange
Duits
Uitspraak
- IPA: /ˈfaŋn̩/
Woordafbreking
- fan·gen
stamtijd | ||
---|---|---|
infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
fangen /ˈfaŋn̩/ |
fing /ˈfiŋ/ |
gefangen /gəˈfaŋn̩/ |
volledig |
Werkwoord
fangen