slaap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

meisje slaapt op haar slaap
Uitspraak
Woordafbreking
  • slaap
Woordherkomst en -opbouw
[1], [2] enkelvoud meervoud
naamwoord slaap -
verkleinwoord slaapje -
[3] enkelvoud meervoud
naamwoord slaap slapen
verkleinwoord slaapje slaapjes
[4] enkelvoud meervoud
naamwoord slaap -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

slaap m [2]

  1. periode van inactiviteit waarbij het lichaam tot rust komt
    • Jan snurkt in zijn slaap. 
  2. behoefte aan slaap
    • Ik heb zo'n slaap. 
  3. (anatomie) zijvlak van het hoofd tussen oog en oor
    • De loop van het pistool raakte zijn slaap. 
  4. tot korstjes opdrogende afscheiding aan de oogleden
    • Wanneer ik wakker word heb ik steeds slaap in mijn ogen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand uit de slaap houden
    • iemand wakker houden
  • in slaap vallen
    • inslapen
  • omvallen van de slaap
    • zeer slaperig zijn
  • slaap hebben
    • de neiging hebben tot slapen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
slapen

slaap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slapen
    • Ik slaap. 
  2. gebiedende wijs van slapen
    • Slaap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slapen
    • Slaap je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Werkwoord

slaap

  1. slapen