slaapkop
Uiterlijk
- slaap·kop
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | slaapkop | slaapkoppen |
| verkleinwoord | slaapkopje | slaapkopjes |
de slaapkop m
- (persoon) (pejoratief) iemand die ongepast slaperig is
- (persoon) (pejoratief) iemand die vaak of langdurig slaapt
- (plantkunde) (Belgisch-Nederlands) benaming voor Papaver somniferum

- [1] sul
- [2] luilak, pinkstlummel, zevenslaper
- [3] slaapbol
- [1] slaapziekte, slaapzucht, hypnolepsie
- Het woord slaapkop staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "slaapkop" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ slaapkop op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Persoon in het Nederlands
- Pejoratief in het Nederlands
- Plantkunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %