slapen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Doornroosje slaapt en wordt bijna wakker gekust door de ridder

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sla·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slapen
slapə
sliep
slip
geslapen
ɣəslapə
klasse 7 volledig

Werkwoord

slapen

  1. in een toestand verkeren waarbij de ademhaling dieper en trager verloopt, en de hartslag trager, en er minder energie wordt gebruikt
    • Zij slapen goed de laatste tijd. 
    • Zij zullen met z'n allen gaan slapen in dat kleine hutje. 
  2. (informeel) niet goed opletten, niet alert genoeg zijn
    • De Tweede Kamer heeft weer zitten slapen. 
  3. (elektronica) in stand-by verkeren
    • Als de computer slaapt, even met de muis bewegen of de "ENTER" toets indrukken. 
  4. (van ledematen) tintelen nadat er enige tijd geen spieren zijn gebruikt
    • Mijn benen slapen. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een gat in de dag slapen
tot heel laat uitslapen
  • Pas toen de zon alweer bijna aan de hemel verscheen verlieten Kleine Woord en Schoonheid de Koning. Ze wensten hem welterusten en begaven zich naar het eethuis van Ruald, rolden doodmoe in bed en sliepen een gat in de dag.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

slapen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord slaap

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 111