sleep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sleep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sleep slepen
verkleinwoord sleepje sleepjes

Zelfstandig naamwoord

sleep m

  1. (verkeer), (scheepvaart) datgene wat gesleept wordt
    • Hij had een sleepje om naar de garage te brengen. 
  2. (kleding) een lange voortzetting van een jurk of rok die over de grond sleept
    • Haar bruidsjurk had een lange kanten sleep. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
slepen

sleep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slepen
    • Ik sleep. 
  2. gebiedende wijs van slepen
    • Sleep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slepen
    • Sleep je? 
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
slijpen

sleep

  1. enkelvoud verleden tijd van slijpen
    • Ik sleep. 
    • Jij sleep. 
    • Hij, zij, het sleep. 

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to sleep
he/she/it sleeps
verleden tijd slept
voltooid
deelwoord
slept
onvoltooid
deelwoord
sleeping
gebiedende wijs sleep

Werkwoord

sleep

  1. slapen