kuil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kuil
enkelvoud meervoud
naamwoord kuil kuilen
verkleinwoord kuiltje kuiltjes

Zelfstandig naamwoord

kuil v/m

  1. een uitholling, een gegraven gat [1]
    • Er zat een diepe kuil in de weg. 
  2. een vangnet [2]
  3. het achterste deel van een sleepnet
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
kuilen

kuil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kuilen
    • Ik kuil. 
  2. gebiedende wijs van kuilen
    • Kuil! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kuilen
    • Kuil je? 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Indonesisch

kuil: tempel
Woordafbreking
  • ku·il
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kuil

  1. (religie), (bouwkunde) tempel