pijp

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pijp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pijp pijpen
verkleinwoord pijpje pijpjes

Zelfstandig naamwoord

pijp v / m

  1. buis
  2. broekspijp
  3. tabakspijp
  4. orgelpijp
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Dood gaan
  • De pijp uit gaan
Dood gaan
  • Een lelijke/ zware pijp roken
door eigen schuld in moeilijkheden komen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
pijpen

pijp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pijpen
    • Ik pijp. 
  2. gebiedende wijs van pijpen
    • Pijp! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pijpen
    • Pijp je? 

Verwijzingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie