ellepijp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • el·le·pijp
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘dikste bot in benedenarm’ voor het eerst aangetroffen in 1867 [1]
  • samenstelling van  el   en  pijp   met het invoegsel -e- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ellepijp ellepijpen
verkleinwoord ellepijpje ellepijpjes

Zelfstandig naamwoord

ellepijp v

  1. (anatomie) een van de twee beenderen in de onderarm
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen