knalpijp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

knalpot met twee knalpijpen
Uitspraak
Woordafbreking
  • knal·pijp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord knalpijp knalpijpen
verkleinwoord knalpijpje knalpijpjes

Zelfstandig naamwoord

knalpijp v/m

  1. pijp die het geluid van een verbrandingsmotor dempt en de uitlaatgassen naar buiten geleid
    • Maar een Nissan Micra die luidruchtiger is dan een Ferrari, alleen maar door een andere knalpijp? Kinderachtige onzin. Die sturen we ook bij Cars and Coffee, morgen hier op het Telegraaf-terrein, graag terug naar het schoolplein. Alle andere autoliefhebbers zijn van harte welkom[1] 
    • Pruttelende knalpijpen, ratelende motortjes en piepende banden. Een tocht met een Solex geeft gegarandeerd veel bekijks.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf JACO BIJLSMA 09 sep. 2016
  2. de Telegraaf 28 okt. 2014