lek

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: lékLek
Een lekke band.

Nederlands

Uitspraak
Gelijkklinkende woorden
Woordafbreking
  • lek
Woordherkomst en -opbouw
[A] o enkelvoud meervoud
naamwoord lek lekken
verkleinwoord lekje lekjes

Zelfstandig naamwoord

[A] lek o

  1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
    • een lek in de waterleiding 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
[A] m enkelvoud meervoud
naamwoord lek
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

[A] lek m

  1. stroming van een vloeistof of een gas door een ongewenste kleine opening
    • Hij kreeg het gaatje niet dicht, zodat de lek bleef doorgaan. 
stellend
onverbogen lek
verbogen lekke

Bijvoeglijk naamwoord

[A] lek

  1. vloeistof of gas doorlatend
    • een lekke band 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lekken

[A] lek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lekken
    • Ik lek. 
  2. gebiedende wijs van lekken
    • Lek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lekken
    • Lek je? 
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord lek leks
verkleinwoord lekje lekjes

Zelfstandig naamwoord

[B] lek m

  1. (financieel) munteenheid van Albanië
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Nynorsk

Woordafbreking
  • lek

Werkwoord

lek

  1. tegenwoordige tijd van leke
Synoniemen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • lek

Zelfstandig naamwoord

lek

  1. (valutanaam) lek, Albanese lek; munteenheid van Albanië
Verbuiging
Paroniemen

Meer informatie

Verwijzingen


Zweeds

Woordafbreking
  • lek

Werkwoord

lek

  1. gebiedende wijs van leka