lek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een lekke band.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lek
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Albaans, in de betekenis van ‘munteenheid van Albanië’ voor het eerst aangetroffen in 1946 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord lek lekken
verkleinwoord lekje lekjes

Zelfstandig naamwoord

lek o

  1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
    • een lek in de waterleiding 
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen lek
verbogen lekke

Bijvoeglijk naamwoord

lek

  1. vloeistof of gas doorlatend
    • een lekke band 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
lekken

lek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lekken
    • Ik lek. 
  2. gebiedende wijs van lekken
    • Lek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lekken
    • Lek je? 

Verwijzingen


Nynorsk

Woordafbreking
  • lek

Werkwoord

lek

  1. tegenwoordige tijd van leke
Synoniemen


Zweeds

Woordafbreking
  • lek

Werkwoord

lek

  1. gebiedende wijs van leka