objectief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Camera-objectieven

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ob·jec·tief
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zich bepalend tot de feiten’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • Naamwoord van handeling van objectiveren
  • afgeleid van het Franse objectif of daarvoor van het Latijnse 'obiectivus'
enkelvoud meervoud
naamwoord objectief objectieven
verkleinwoord objectiefje objectiefjes

Zelfstandig naamwoord

objectief o

  1. (optica) de lens (of het lenzenstelsel) van een optisch instrument (bijvoorbeeld een microscoop of verrekijker) die zich het dichtst bij het te bekijken voorwerp ('object') bevindt
    • Een camera met een verwisselbare objectieven. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen


stellend vergrotend overtreffend
onverbogen objectief objectiever objectiefst
verbogen objectieve objectievere objectiefste
partitief objectiefs objectievers -

Bijvoeglijk naamwoord

objectief

  1. waarneembaar.
  2. niet beïnvloed door persoonlijke meningen, belangen of ideeën
    • De commissie bracht een objectief verslag over het gebeurde uit. 
Antoniemen
Vertalingen


stellend vergrotend overtreffend
objectief objectiever het objectiefst


Bijwoord

objectief

  1. op een onpartijdige, neutrale wijze; zich aan de feiten houdend
    • De commissie heeft het geval objectief onderzocht. 
     `Vind je niet dat Venetië ook iets triests heeft? Als je Piazza San Marco zo overziet, zou je objectief gezien moeten vaststellen dat het er druk is. Toch maakt het plein een wezenloze en verlaten indruk, alsof het met zijn gedachten ergens anders is.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen