kus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kus
enkelvoud meervoud
naamwoord kus kussen
verkleinwoord kusje kusjes

Zelfstandig naamwoord

kus m

  1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
    • Zij gaf haar baby een kus op het voorhoofd. 
    • Kijk nu eens naar haar mond en stel je een ogenblik voor dat je onze Albert bent. Van die mond had hij warme, tedere kussen gekregen, die zijn buik optilden tot hij op springen stond, hij had haar speeksel in zijn mond voelen stromen en het met grote hartstocht opgezogen, Cécile was in staat tot zulke wonderen, dat ze niet zomaar een meisje was. [1] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kussen

kus

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kussen
    • Ik kus. 
  2. gebiedende wijs van kussen
    • Kus! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kussen
    • Kus je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 18


Afrikaans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Nederlandse kust

Zelfstandig naamwoord

kus

  1. kust
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Nederlandse kus

Zelfstandig naamwoord

kus

  1. kus
Synoniemen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

kus

  1. kussen
Synoniemen


Nedersorbisch

Zelfstandig naamwoord

kus m

  1. stuk
Afgeleide begrippen


Slowaaks

Uitspraak
Woordafbreking
  • kus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *kǫsъ

Zelfstandig naamwoord

kus m

  1. stuk; deel, gedeelte, onderdeel van een geheel
  2. stuk; één uit meerdere dezelfde of soortegelijke voorwerpen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • kus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *kǫsъ

Zelfstandig naamwoord

kus monbezield

  1. stuk; deel, gedeelte, onderdeel van een geheel
    «Měl hlad a prosil o kus chleba.»
    Hij had honger en vroeg om een stuk brood.
  2. stuk; één uit meerdere dezelfde of soortegelijke voorwerpen
    «Stůl je kus nábytku.»
    Een tafel is een meubelstuk.
  3. (handel) stuk; één als teleenheid
    «Na porci počítáme 6 kusů houstiček.»
    Voor een portie rekenen we 6 stuks kaiserbroodjes.
  4. (kunst) stuk; een afgerond product van nijverheid of kunst
    «Hrali kus od Mozarta.»
    Zij speelden een stuk van Mozart.
  5. grap, truc, streek, bedrog
  6. (verouderd) stuk; kanon
  7. stuk; een onbepaalde, meestal grote, hoeveelheid of maat
    «Je to ještě kus cesty.»
    Het is nog een stuk (voordat we er zijn).
  8. (figuurlijk) stuk; een aantrekkelijke vrouw
Verbuiging
Synoniemen
  1. díl monbezield, kousek monbezield, část v
  2. exemplář monbezield, kousek monbezield
  3. dílo o
  4. trik monbezield, žert monbezield, podvod monbezield
  5. dělo o
  6. kočka v, šťabajzna v
Afkorting
  1. ks
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • dva kusy – twee stuks
  • kus dortu – een stuk taart
  • v jednom kuse
  • za kus – per stuk
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Verwijzingen


Bijwoord

kus

  1. stuk; op een zekere afstand

Verwijzingen