kus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kus
enkelvoud meervoud
naamwoord kus kussen
verkleinwoord kusje kusjes

Zelfstandig naamwoord

kus m

  1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
    • Zij gaf haar baby een kus op het voorhoofd. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kussen

kus

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kussen
    • Ik kus. 
  2. gebiedende wijs van kussen
    • Kus! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kussen
    • Kus je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie