kanon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: canon

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·non
Woordherkomst en -opbouw
Een kanon aan "Het Huys te Warmont"
  • Van Italiaans canna (buis). Op zijn beurt van Latijn canna (riet). Van Grieks kanna, verwant met Hebreeuws qane en Arabisch qanah (betekenis steeds: riet). [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kanon kanonnen
verkleinwoord kanonnetje kanonnetjes

Zelfstandig naamwoord

kanon o

  1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
    • De vuursnelheid van het kanon werd aanzienlijk verhoogd. 
  2. een drinkglas met dikke bodem of voet, gebruikt bij heildronken
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Met een kanon op een mug schieten
Ophef maken om niks
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord kanon kanonne

Zelfstandig naamwoord

kanon

  1. kanon