streek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • streek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord streek streken
verkleinwoord streekje streekjes

Zelfstandig naamwoord

streek m

  1. (aardrijkskunde) een gebied met een eigen karakter, een landstreek
    • Deze streek is bekend om zijn bollenteelt. 
  2. deel van een entiteit (bijv. anatomisch) met specifieke eigenschappen (-> bilstreek, hartstreek, maagstreek, kompasstreek)
  3. een handige manipulatie
    • Wat een gemene streek is dat! 
  4. een veeg of streep met een werktuig
    • Met een paar streken zette de kunstenaar een goedgelijkende afbeelding op het doek. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • uit zuidelijker streken
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
strijken

streek

  1. enkelvoud verleden tijd van strijken
    • Ik streek. 
    • Jij streek. 
    • Hij, zij, het streek. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl