kring

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kring
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘cirkel’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kring kringen
verkleinwoord kringetje kringetjes

Zelfstandig naamwoord

kring m

  1. een ronde figuur zoals een cirkel
    • Kinderen, ga maar in een kring staan! 
    • Toen de Baas van de Mollen vertrokken was keek Nemo de kring aanvoerders rond. [3] 
    • Er zal een kring ontstaan waar de steen het water geraakt heeft, en die kring zal ogenblikkelijk uitdijen tot nog een kring, en nog een. [4] 
  2. een gemeenschap van mensen die met elkaar omgaan
    • Dat is in deze kringen niet gebruikelijk. 
  3. een ronde vlek op een tafelblad ontstaan doordat er een nat glas op gestaan heeft
    • Hier, gebruik een bierviltje, anders heb je kringen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kringen

kring

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kringen
    • Ik kring. 
  2. gebiedende wijs van kringen
    • Kring! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kringen
    • Kring je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen