kring

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kring kringen
verkleinwoord kringetje kringetjes

Zelfstandig naamwoord

kring m

  1. een ronde figuur zoals een cirkel
    • Kinderen, ga maar in een kring staan! 
    • Toen de Baas van de Mollen vertrokken was keek Nemo de kring aanvoerders rond. [2] 
    • Er zal een kring ontstaan waar de steen het water geraakt heeft, en die kring zal ogenblikkelijk uitdijen tot nog een kring, en nog een. [3] 
  2. een gemeenschap van mensen die met elkaar omgaan
    • Dat is in deze kringen niet gebruikelijk. 
  3. een ronde vlek op een tafelblad ontstaan doordat er een nat glas op gestaan heeft
    • Hier, gebruik een bierviltje, anders heb je kringen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kringen

kring

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kringen
    • Ik kring. 
  2. gebiedende wijs van kringen
    • Kring! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kringen
    • Kring je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 102
  3. Shafak, Elif Liefde kent veertig regels vertaald uit het Turks door Smits, Manon [2011] ISBN 978-90-445-1742-2 pagina 9