krans

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krans
enkelvoud meervoud
naamwoord krans kransen
verkleinwoord kransje kransjes

Zelfstandig naamwoord

krans m

  1. een rondgaande versiering, met name rond een hoofd of top
    Een krans van laurierbladeren was een Romeinse onderscheiding voor een zege.

Werkwoord

vervoeging van
kransen

krans

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kransen
    Ik krans.
  2. gebiedende wijs van kransen
    Krans!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kransen
    Krans je?