gezelschap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[1] een defig gezelschap
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zel·schap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezelschap gezelschappen
verkleinwoord gezelschapje gezelschapjes

Zelfstandig naamwoord

gezelschap o

  1. een groep mensen die iets gemeen hebben
    • Het hele gezelschap was gezellig op skivakantie. 
    • Zelfs als ik om drie uur 's nachts langs de Seine dwaalde, wat steeds meer een gewoonte van mij werd, deed ik dat altijd in gezelschap van tweehonderd anderen. [1] 
  2. iemand ~ houden': bij iemand blijven die anders alleen zou zijn
    • Ik kan je niet langer gezelschap houden, ik moet naar m'n werk. 
    • Hij is hier omringd door een deel van de harde kern van The Circus, zoals zijn entourage wordt genoemd, vrienden die hij al dertig, veertig jaar kent, soms ex-geliefden die blijven hangen. Ze vormen een onzichtbare kring om Hockney, scharrelen rond in zijn huis, zorgen voor hem, houden hem gezelschap. [2] 
  3. aanwezigheid van een persoon, dier of zaak
     Mijn vermoeden zou zijn dat u zijn gezelschap kunt waarderen. Hij is een eminent geleerde.'[3]
  4. een vereniging met een bepaald doel
    • Er bestaat een gezelschap dat zich richt op de studie hiervan. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen