gezelschap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zel·schap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezelschap gezelschappen
verkleinwoord gezelschapje gezelschapjes

Zelfstandig naamwoord

gezelschap o

  1. een groep mensen die iets gemeen hebben
    • Het hele gezelschap was gezellig op skivakantie. 
    • Zelfs als ik om drie uur 's nachts langs de Seine dwaalde, wat steeds meer een gewoonte van mij werd, deed ik dat altijd in gezelschap van tweehonderd anderen. [1] 
  2. iemand ~ houden': bij iemand blijven die anders alleen zou zijn
    • Ik kan je niet langer gezelschap houden, ik moet naar m'n werk. 
  3. een vereniging met een bepaald doel
    • Er bestaat een gezelschap dat zich richt op de studie hiervan. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina