garen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ga·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
garen
gaarde
gegaard
zwak -d volledig

Werkwoord

garen

  1. (overgankelijk) (voeding) door middel van koken klaar maken voor consumptie, gaar maken
  2. (ergatief), (voeding) gaar worden
  3. (verouderd) verzamelen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

enkelvoud meervoud
naamwoord garen garens
verkleinwoord garentje garentjes

Zelfstandig naamwoord

garen o

  1. draad die wordt gemaakt door het spinnen van vezels
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

garen

  1. van garen vervaardigd

Meer informatie

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie