tros

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tros
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tros trossen
verkleinwoord trosje trosjes

Zelfstandig naamwoord

tros m

  1. (biologie) bloeiwijze
  2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
  3. (scheepvaart) een uit minstens drie kardelen geslagen touw dat dikker is dan een lijn (4 cm omtrek)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
trossen

tros

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trossen
    Ik tros.
  2. gebiedende wijs van trossen
    Tros!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trossen
    Tros je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl