snoer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snoer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snoer snoeren
verkleinwoord snoertje snoertjes

Zelfstandig naamwoord

snoer o

  1. (elektrotechniek) soepele elektriciteitskabel die binnenshuis gebruikt wordt
    • Zit er aan dat snoer al een stekker? 
  2. ketting van een aantal aaneengeregen voorwerpen (halssnoer)
  3. koord
  4. vislijn
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
snoeren

snoer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snoeren
    • Ik snoer. 
  2. gebiedende wijs van snoeren
    • Snoer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snoeren
    • Snoer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen