draadloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • draad·loos
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen draadloos draadlozer draadloost
verbogen draadloze draadlozere draadlooste
partitief draadloos draadlozers -

Bijvoeglijk naamwoord

draadloos

  1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
    • Ik ben blij met mijn draadloze muis. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be