geleider

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lei·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geleider geleiders
verkleinwoord geleidertje geleidertjes

Zelfstandig naamwoord

geleider m

  1. (natuurkunde) (elektrotechniek) materiaal met een naar verhouding hoog aantal beweeglijke ladingsdragers, waardoor het een elektrische stroom makkelijk doorlaat
    • Metalen, maar ook zoutoplossingen zijn goede geleiders, zij het om verschillende redenen. 
  2. (natuurkunde) materiaal dat iets anders doorlaat dan elektriciteit, zoals warmte of geluid, warmtegeleider
    • De dokter smeerde wat gelei op haar buik als geleider voor de ultrasone trillingen. 
  3. (techniek) elk van de delen van instrumenten die dienen om een ander deel in zijn beweging te geleiden
  4. persoon die wat geleidt
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie