zonnedek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

zonnedek
Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·ne·dek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zonnedek zonnedekken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zonnedek o [2]

  1. deel van het bovenste dek van een boot waarop gezond kan worden of dat juist een dak heeft dat beschermt tegen de zon
    • Met veel geel zand, wuivende palmen en een zonnedek is het braakliggende terrein tussen Korte Hengelosestraat en het Nationaal Muziekkwartier veranderd in een tijdelijk stadsstrand. Andere grote steden kenden een dergelijk strand, Enschede heeft nu ruim twee maanden lang ook een mogelijkheid van zand en water te genieten in de binnenstad. [3] 
    • Interboat, een van de grootste en oudste sloepenbouwers van het land sprong in dit gat met de nieuwe 6.5. De overnaadse polyester sloep heeft een smalle kop die snel breed uitloopt. Achterop is een zonnedek met twee kleppen naar de grote opbergruimte eronder. [4] 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.


Verwijzingen