dekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dek·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dekken
dekte
gedekt
zwak -t volledig

Werkwoord

dekken

  1. (overgankelijk) voorzien van een dak
    Dat huis is met riet gedekt.
  2. (overgankelijk) de tafel ~ alles op tafel leggen en zetten voor het houden van een maaltijd
    Zij dekte de tafel voor het kerstmaal.
  3. (overgankelijk) een verzekering voor een eventualiteit afgesloten hebben
    Het geleden verlies bleek maar gedeeltelijk gedekt.
  4. (overgankelijk) ondersteuning voor iets verlenen
    De regering dekte zijn eigenzinnige optreden niet langer.
  5. (seksualiteit) paren met (bijv. dekhengst)
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

dekken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dek