bitten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bit·ten

Zelfstandig naamwoord

bitten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bit
Verwante begrippen

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
32 % van de Vlamingen.


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • bit·ten
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bitten
/'bitn̩/
bat
/'baːt/
gebeten
gəˈbeːtn̩/
volledig

Werkwoord

bitten

  1. smeken
  2. vragen, verzoeken