bitten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bit·ten

Zelfstandig naamwoord

bitten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bit
Verwante begrippen

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
33 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • bit·ten
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bitten
/'bitn̩/
bat
/'baːt/
gebeten
gəˈbeːtn̩/
volledig

Werkwoord

bitten

  1. smeken
  2. vragen, verzoeken