bang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
bang

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bang
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bang banger bangst
verbogen bange bangere bangste
partitief bangs bangers -

Bijvoeglijk naamwoord

bang

  1. een min of meer beredeneerde angst voor iets hebbend
    • het is niet vreemd bang te zijn bij dit gevaarlijke spel. 
  2. angstaanjagend, angst verwekkend
    • Vallende kraan zorgt voor bange momenten 
    • Neerlands hoop in bange dagen 
  3. bangelijk, bang van karakter
    • Wat is hij toch een bange wezel. 
Vaste voorzetsels
  • bang zijn voor
  • bang zijn van
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

enkelvoud meervoud
bang bangs

Zelfstandig naamwoord

bang

  1. knal
  2. explosie
Hyponiemen
vervoeging
onbepaalde wijs to bang
he/she/it bangs
verleden tijd banged
voltooid
deelwoord
banged
onvoltooid
deelwoord
banging
gebiedende wijs bang

Werkwoord

bang

  1. knallen
Synoniemen
Hyponiemen



Indonesisch

Woordafbreking
  • bang
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

  1. (oudere) broer
wordt in combinatie met een roepnaam gebruikt om bekende gezagsdragers mee aan te duiden


Vietnamees

Zelfstandig naamwoord

bang

  1. staat, deelstaat
    «Hoa Kỳ có bao nhiêu bang
    Hoeveel staten tellen de VS?
  2. de rechterhand van de districtschef, kort voor bang tá.
  3. een groep Chinezen die uit dezelfde provincie stammen en die een tijdje in hun land onder de Fransen hebben geleefd.
    «Bang Phúc Kiến.»
    De Chinese gemeenschap van Fujian, de Fujiankolonie.