knallen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knal·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knallen
knalde
geknald
zwak -d volledig

Werkwoord

knallen

  1. inergatief een hard geluid of knal geven
    • Dat vuurwerk knalde erg hard. 
  2. ergatief uit elkaar ~
    • Het vuurwerk was met veel lawaai uit elkaar geknald. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

knallen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord knal

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Duits

Werkwoord

knallen

  1. knallen