benauwd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·nauwd
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van benauwen: de stam met de uitgang -d, zonder ge- vanwege voorvoegsel [1]

Werkwoord

vervoeging van
benauwen

benauwd

  1. voltooid deelwoord van benauwen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen benauwd benauwder benauwdst
verbogen benauwde benauwdere benauwdste
partitief benauwds benauwders -

Bijvoeglijk naamwoord

benauwd

  1. moeilijk ademend, belemmerd in de ademhaling
    • Iemand met COPD of astma heeft heeft vaak benauwd. 
  2. angstig, bang
    • zijn lijfspreuk bleef door de jaren heen: "niet van dat benauwde" 
  3. beperkt van ruimte
    • Sommige mensen worden bang in een benauwde ruimte. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen