bangerik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban·ge·rik
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van bang met het achtervoegsel -erik.
enkelvoud meervoud
naamwoord bangerik bangeriken
verkleinwoord bangerikje bangerikjes

Zelfstandig naamwoord

bangerik m

  1. (pejoratief) iemand die bang is
    • Deze kermisattractie is niet weggelegd voor bangeriken. 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.