Naar inhoud springen

bangerik

Uit WikiWoordenboek
  • ban·ge·rik
  • Afgeleid van bang met het achtervoegsel -erik.
enkelvoud meervoud
naamwoord bangerik bangeriken
verkleinwoord bangerikje bangerikjes

debangerikm

  1. (scheldwoord) iemand die overdreven bang is
    • Deze kermisattractie is niet weggelegd voor bangeriken. 
     Een bangerik, dat was ik.[1]
     Sjoerd was geen schaitmoaze, bangerik.[2]
98 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[3]
  1. Tatiana Rosnay
    “Kwetsbaar” (2010), Artemis & co, ISBN 9789047201625
  2. “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be