bangheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bang·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van bang met het achtervoegsel -heid.
enkelvoud meervoud
naamwoord bangheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bangheid v

  1. een toestand van schrik
    Bij bangheid gaat het hart sneller slaan.
  2. het gauw bang zijn
    Je zal je bangheid voor het donker moeten proberen af te leren.
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders
62 % van de Vlamingen.