broer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Twee zussen en hun broer
Uitspraak
Woordafbreking
  • broer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord broer broers
verkleinwoord broertje broertjes

Zelfstandig naamwoord

broer m

  1. (familie) een mannelijk kind van dezelfde ouders
    • Heijmans was van mening dat een verscheurd gezin, waarin de broer een vaderrol vertolkte, opnieuw uit elkaar gehaald dreigde te worden. Hij stond toe dat de vrouw en kinderen “richting onbekende bestemming vertrokken”, vlak voor ze op de trein richting Duitsland gezet zouden worden.[2] 
     De blik die Max hierop naar zijn broertje zond sprak boekdelen.[3]
     Overal stonden camera's. En raad eens wie er voor Nederland speelden? Inderdaad, schatten van me. Jullie. De broertjes Van der Schaaf in oranje.[3]
  2. (figuurlijk) iets dat veel lijkt op of verwant is aan iets anders
     Ik sprong het kraakheldere water van Little Crater Lake in, een piepklein meertje van niet meer dan 30 meter breed. Niet te vergelijken met haar 10 kilometer brede broer Crater Lake waar ik een paar dagen ervoor was.[4]
Synoniemen
Spreekwoorden
  • Ergens een broertje dood aan hebben
iets heel vervelend vinden
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. broer op website: Etymologiebank.nl
  2. Jorg Leijten NRC 16 juni 2016
  3. 3,0 3,1 Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • broer

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord broer broers

broer

  1. (familie) broer
Synoniemen


Fries

Zelfstandig naamwoord

broer

  1. broer